Verplicht leesvoer voor naïeve
politici
Door Carel Brendel
Soms kan het heel aardig zijn om met twee boeken tegelijk bezig te zijn. Voor mijn 59ste verjaardag heb ik Fluisteraars gekregen. Daarin beschrijft de Britse historicus Orlando Figes nauwgezet het leven van Russische families in de jaren, dat Sovjet-leider Josef Stalin zijn Grote Terreur uitoefende. Kort daarna ontving ik van de uitgever (toevallig ook Nieuw-Amsterdam) het boek Salaam!, het journalistieke verslag van oud-AD-collega Patrick Pouw, die zich een jaar liet onderdompelen in het wereldje van de streng islamitische leraar Suhayb Salaam. (De achternaam wordt meestal als Salam geschreven, CB)
Bij Figes zit ik nog in de eerste hoofdstukken, maar daaruit wordt wel één ding heel duidelijk. Individuele ontplooiing was taboe voor de communistische volgelingen van Lenin en Stalin. Het leven van de Sovjet-functionarissen stond voor honderd procent in het teken van het communisme. De partijgenoten gingen daarheen waar de partij hen heen dirigeerde, Het gezinsleven moest wijken voor hogere belangen. Het individu was volledig ondergeschikt aan de staat. Een eigen mening was ongewenst, en in de hoogtijdagen van de terreur, zelfs levensgevaarlijk.
Een eigen mening en zelfstandig nadenken komen evenmin van pas op het Instituut voor Opvoeding en Educatie, dat onder leiding staat van Suhayb Salaam - de zoon van de salafistische imam Ahmed Salaam, de man die minister Rita Verdonk geen hand wilde schudden. Vader en zoon Salaam en de Haagse imam Fawaz Jneid zijn de Nederlandse kopstukken van het salafisme, de leer van de zuivere islam.
Als het gaat om totalitair denken, dan kunnen Stalinisten en salafisten elkaar een hand geven. Want ook de volgelingen van Salaam moeten hun leven totaal in dienst stellen van een ideologie, in dit geval de leer van de zuivere islam zoals deze door de Salaams en sjeik Fawaz worden geïnterpreteerd. De groepering zet zich fanatiek af tegen de vrije westerse samenleving. Ze is de afgelopen jaren regelmatig in het nieuws gekomen en trekt terecht de aandacht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD).
Patrick Pouw nam het besluit eens dieper in het extreem-islamitische wereldje te duiken. Hij meldde zich aan als leerling van het Instituut voor Opvoeding en Educatie. Wellicht heeft Suhayb Salaam gehoopt de journalist voor zich te winnen. Anders valt niet te verklaren dat hij een ongelovige meer dan een jaar liet rondkijken op zijn school. Pouw volgde trouw de lessen van zijn leermeester, woonde cursussen en bijeenkomsten bij in salafistische moskeeën en hoorde zaken die deze extremisten meestal aan de buitenwereld proberen te verbergen.
Suhaybs leerlingen moeten zich onderwerpen aan een kluwen van strenge leefregels, waarin de strenge apartheid tussen mannen en vrouwen een van de belangrijkste is. De verleiding tot ontucht ligt overal op de loer, en daarom is het zaak dat ‘broeders’ en ‘zusters’ zo min mogelijk, en het liefste nooit met elkaar omgaan. Het naleven van door Allah afkomstige regels is niet voldoende. Voor de salafisten is de ‘dawah’, het prediken van de zuivere leer minstens zo belangrijk. Die mix van regels en geloofsijver maakt van het salafisme een enge sekte, waarbij de Jehovah’s Getuigen en de Mormonen verbleken.
Pouw schrijft zijn belevenissen spannend op. Ik las zijn boek bijna in één ruk uit. Nauwgezet beschrijft hij hoe min of meer losgeslagen moslimjongeren door leermeester Salaam worden gekneed tot fanatieke gelovigen. Naarmate het studiejaar vordert, stuit de auteur op steeds radicaler gedachtegoed. Goede moslims haten ongelovigen en ‘slechte’ moslims, verbranden de bijbel en zeggen soms een goede baan op om zich volledig op het bekeren van andersdenkenden te storten.
In dit benauwende milieu houdt Pouw een jaar moedig stand. De druk van zijn leermeester en medestudenten om zich te bekeren wordt sterker en sterker. Het wantrouwen tegen de ongelovige pottenkijker groeit met de dag. Pouw beseft dat hij niet langer meer kan antwoorden dat hij het allemaal ‘heel interessant’ vindt. Dat is het moment voor de journalist om weg te blijven bij het instituut en achter de computer plaats te nemen om zijn boek af te ronden.
‘Wij hebben ook ons Staphorst’, ‘nonnen lopen ook in zwarte kleren’ en ‘het gaat maar om een klein groepje’ zijn drie van de uitvluchten, waarmee politici en opinieleiders het moslimextremisme vergoelijken. Wie Salaam! leest, weet beter. Ons ‘Staphorst’ verbleekt bij de religieuze intolerantie van Suhayb Salaam en zijn medestanders. Een zeer belangrijk verschil tussen de SGP en de extreme moslims is het praten met twee monden. Een reformatorische dominee verkondigt binnen en buiten de kerk precies hetzelfde. Pouw weet van binnenuit, dat sjeik Fawaz en de Salaams zich naar de buitenwereld als redelijke gelovigen voordoen en in eigen besloten kring de religieuze intolerantie prediken.
Prof. Afshin Ellian pleitte er eerder voor om het poldersalafisme met wortel en tak uit te roeien. Het boek Salaam! biedt aanknopingspunten genoeg voor een stevige aanpak van het fanatisme dat in naam van Allah floreert. Wat mij betreft is Pouws boek daarom verplicht leesvoer voor naïeve politici.
Patrick Pouw: Salaam! Een jaar onder orthodoxe moslims.
Uitg. Nieuw-Amsterdam.
Carel Brendel is auteur van Het verraad van links (Uitg. Aspekt)
Geplaatst op 29 mei 2008
Homepage: www.hetverraadvanlinks.nl