De kwalijke nalatenschap van een onverbeterlijke stalinist

Door Carel Brendel

Van de doden niets dan goeds. Daarom heb ik even gezwegen na het overlijden van de voormalige CPN-parlementariër Marcus Bakker. Bovendien valt er wel degelijk wat positiefs over de man te vermelden.

In 1943 werd de Zaankanter Bakker immers lid van de illegale CPN, op een moment dat de leden van deze partij hun leven waagden in de strijd tegen de Duitse bezetters. Als Kamerlid (vanaf 1956) en fractievoorzitter (van 1963 tot 1982) was hij een scherpe en vaak humoristische debater. Maar je moet wel een heel selectief waarnemingsvermogen hebben om Bakker ondanks deze verdiensten te roemen als ’een fantastische inspiratiebron’ en het door Bakker belichaamde communisme te associëren met de verdediging van democratie en vrijheid.

Voor deze lofzang moeten we zijn bij de laatste NRC-rubriek van Elsbeth Etty, Requiem voor een communist. Natuurlijk zet de columniste ook kritische kanttekeningen: “Het ondemocratische beginsel is de geboortefout van het communisme - waardoor het in diskrediet is geraakt en waaraan het terecht ten onder is gegaan. Dit is dan ook geen apologie.” Verderop gevolgd door: “De stalinistische kazernementaliteit die in de CPN heerste, stond in flagrante tegenspraak met het streven naar openheid en rechtvaardigheid dat Bakker in het parlement uitdroeg.”

Desondanks was Etty in de jaren zeventig een van de vele studenten, die zich aansloten bij de CPN. “Het kostte mij geen enkele moeite om Bakker te associëren met verzet tegen onrecht. Het was een keuze tegen de braafheid, de kneuterigheid, de meegaandheid en de versuffing van het Nederland waarin ik opgroeide.“

In datzelfde brave Nederland ben ik ook opgegroeid. Maar verder dan het incidenteel rood kleuren van een vakje op het stemformulier is mijn steun voor de CPN nooit gekomen. Mijn sympathie gold het lagere kader van deze partij, harde werkers die zich inzetten voor verbeteringen in hun buurt of bedrijf. Figuren als Marcus Bakker vormden echter een fantastische inspiratiebron om nooit lid van deze partij te worden.

Mijn lieve communistische buurvrouw colporteerde destijds met de Waarheid op de Amsterdamse Dappermarkt. Na afloop schoof ze altijd een overgebleven exemplaar bij mij onder de deur door. Helaas vond ik altijd wel een artikel waar ik het absoluut niet mee eens was.

Het grote breekpunt in alle discussies over het communisme vormde de Hongaarse Opstand. Mijn buurman had het altijd over de ‘Horthy-fascisten’, die aangevuurd door de reactionaire kardinaal József Mindszenty de arbeiders onder het kapitalistische juk wilden brengen. In het alternatieve communistische geloof, waarin ik was opgevoed en waarvan ik in die dagen afscheid aan het nemen was, vormde de Hongaarse Opstand van 1956 daarentegen juist een glorieus hoogtepunt.

De opstand in Boedapest begon weliswaar met een studentenbetoging. Na enige dagen werd er een regering gevormd door de gematigde communist Imre Nagy. Maar in wezen ging het hier om een proletarische revolutie, gedragen door een algemene staking in de loop waarvan krachtige arbeidersraden werden gevormd. De Arbeidersraad van Groot Boedapest bleef zelfs na het binnenrukken van Russische tanks nog enige tijd een taai verzet plegen tegen de stalinistische onderdrukker en verrader Janos Kádár.

Dankzij dat alternatieve ‘geloof’ las ik George Orwell (1984, Saluut aan Catalonië) en was ik op de hoogte van allerlei kritische boeken over de Sovjet-Unie en communistisch China. Ondanks de strijdbaarheid van sympathieke gewone leden associeerde ik zeker de CPN-top niet met de verdediging van vrijheid en democratie.

Marcus Bakker was in 1956 overigens op de hand van de onderdrukkers. Tijdens de revolte in de Poolse stad Poznan schreef hij in de Waarheid als volgt over stakende arbeiders: “Hopelijk zal het snel lukken met dit gespuis korte metten te maken.”

De Hongaarse Opstand en de destalinisatie leidden vervolgens tot een breuk in de CPN. Vier van de zeven Kamerleden werden geroyeerd door partijleider Paul de Groot. Bakker ontpopte zich als zijn gedienstige rechterhand. In 1958 schreef hij het beruchte smaadschrift De CPN in de Oorlog, waarin de opposanten - ondanks hun grote verdiensten in de jaren 1940-1945 - werden neergezet als verraders en spionnen.

Het was een beproefde tactiek. De oude Gerard van het Reve, de vader van de schrijvers Karel en Gerard, werd tijdens de Bezetting al belasterd als ‘een verrader met fascistische sympathieën’. Zijn ‘misdaad’ bestond er uit dat hij in 1938 kritiek durfde te leveren op De officiële geschiedenis van de Communistische Partij der Sovjet-Unie, het standaardwerk van de stalinistische geschiedvervalsing en daarmee een fantastische inspiratiebron voor toekomstige lasteraars als Marcus Bakker.

De belangrijkste communistische verzetsman, Gerben Wagenaar, werd door het slijk gehaald als agent van de Britse geheime dienst. Afvalligen en geroyeerden werden tot het eind toe belasterd. Zo weigerde de CPN mee te doen aan Vietnam-demonstraties die werden georganiseerd door de Februaristaker Piet Nak.

De voormalige stadsreiniger Nak was in de jaren 50 uit de partij gestapt. Erger nog, hij had zich laten interviewen door Ben Sijes, onderzoeker van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie en schrijver van De Februaristaking. Dat boek weerlegde het partijsprookje dat deze grote verzetsactie tegen de Jodenvervolging in 1941 (waarbij lokale communisten een grote rol speelden) voortgekomen was uit het geniale brein van Paul de Groot. De partijwrok tegen Nak won het in 1967 van de ’gerechtvaardigde verlangens van het Vietnamese volk’.

Met Wagenaar werd ook partijveteraan Henk Gortzak in 1958 uit de CPN gegooid. Gortzak keerde in 1969 voor twee jaar terug in de Tweede Kamer, namens de PSP, een linkse concurrent van de CPN. De communisten in de Tweede Kamer, met voorop Marcus Bakker, boycotten consequent alle door Gortzak genomen initiatieven. De ‘grote voorvechter van de parlementaire mores’ tartte daarbij alle fatsoensregels. Nak, Wagenaar en Gortzak hadden nog het geluk dat ze in een land woonden waar de communisten nooit aan de macht zijn gekomen, anders hadden ze hun verzet tegen de partijleiding niet overleefd.

Helaas verzuimt Elsbeth Etty in haar requiem om het beruchte ’rooie boekje’ te noemen. Bakker zelf heeft het nooit herroepen. Wel werd zijn lasterboek in 1982 door de partij ingetrokken, in 1986 gevolgd door de verschijning van het boek Partij in het Verzet van Hansje Galesloot en Susan Legêne, dat door alle betrokkenen als een definitieve rehabilitatie werd beschouwd.

Behalve dan door Marcus Bakker die hardnekkig aan zijn boekje bleef vasthouden. Zoals rechterhand en medebeul Lazar Kaganovitisj tot aan zijn dood in 1991 bleef geloven in de goedheid van Jozef Stalin, zo bleef Bakker tot het einde van zijn leven geloven in de goedheid van zijn eigen rooie boekje.

Zo iemand is inderdaad een fantastische inspiratiebron, zeker voor Elsbeth Etty, die ook na haar afscheid van de CPN gebruik is blijven maken van het door Bakker gebruikte middel van verdachtmaking van politieke tegenstanders. Paul Scheffer kreeg er in 2000 mee te maken na de publicatie van zijn essay Het multiculturele drama. Scheffer was volgens haar een ‘cultuurnationalist’. Heel kwalijk want nationalisme en fascisme komen uit één koker.

Afgelopen zomer toonde Etty zich onverbeterlijk door René Cuperus van de Wiardi Beckman Stichting aan te vallen vanwege zijn pleidooi voor de ‘eigen identiteit’. Ook hier lagen ‘de constituerende elementen’ van fascisme en nationaal-socialisme’ op de loer. Cuperus en partijleider Wouter Bos dreigden volgens haar de PvdA uit te leveren aan extreemrechts. Eerder associeerde Etty Geert Wilders met de SS-lijfspreuk Unsere Ehre heisst Treue, een van de grofste vergelijkingen van het afgelopen decennium. Wat dat betreft is ze nog steeds een goede leerling van Bakker.

Destijds waren het vooral de critici van het communisme, die door de CPN en haar volgelingen in de fascistische verdachtenbank werden gezet. Met het afsterven van deze partij is helaas geen einde gekomen aan deze politieke gangstermethodes. Tegenwoordig zijn het de critici van de politieke islam die het stempel fascist krijgen en worden geassocieerd met de Tweede Wereldoorlog.

Veel tegenstanders van de PVV zijn blind voor de religieuze intolerantie uit islamitische hoek. Ze zijn daardoor niet in staat om zakelijke kritiek te leveren op Wilders en hem op normale wijze te bestrijden. Verdachtmakingen en laster blijven in zwang. Nog altijd wordt het politieke klimaat vergiftigd door de werkwijze, die de CPN hanteerde in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw. Zie daar de blijvende nalatenschap van Marcus Bakker.

Geplaatst op 5 januari 2009

Homepage: www.hetverraadvanlinks.nl