(Algemeen Dagblad, 16 maart 2002)
De val van het rode bolwerk
Rotterdamse sociaal-democraten waren geen dromers, maar doeners `Typerend voor de stad zijn de uitbarstingen van sociale onvrede'
door carel brendel en theo gerritse
Een eeuw groeide en bloeide het socialisme in Rotterdam. Met praktische politiek lenigden SDAP en PvdA de noden van het volk. Op 6 maart koos de Maasstad voor Pim Fortuyn . Opkomst en ondergang van een rood bolwerk.
Na de raadsverkiezingen kreeg tv-presentator en oud-Rotterdammer Koos Postema een telefoontje van een oude kennis uit de Afrikaanderbuurt. Postema: ,,Die man heeft altijd op de PvdA gestemd. Hij is opgegroeid met de Vara, Het Vrije Volk en het NVV. `Koos', zei hij, ,,m'n hele leven heb ik geen stap in de kerk gezet. En nou moest ik woensdag godverdomme gaan stemmen in de moskee.' Dat was voor hem de laatste druppel om op Leefbaar Rotterdam te stemmen.''
De Rotterdamse PvdA verkeert sinds woensdagavond 6 maart in een shocktoestand. Totale verbijstering heerst er niet alleen vanwege de onverwachte overwinning van Pim Fortuyn . Minstens zo schokkend voor rechtgeaarde sociaaldemocraten is de constatering, dat zij voor het eerst sinds 1919 - de eerste lokale verkiezingen met algemeen kiesrecht - niet meer de grootste partij in de raad van Rotterdam zijn. Bijna een eeuw lang stond de Maasstad bekend als het Rode Bolwerk, waar eerst de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) en na de Bevrijding de Partij van de Arbeid de politieke boventoon voerde. De PvdA haalde zelfs vier keer de absolute meerderheid. Sinds 1986 is de aanhang meer dan gehalveerd. Voor het eerst in haar bestaan dreigt de PvdA te verdwijnen naar de harde bankjes van de oppositie.
Voor de huidige generatie zal het een schrale troost zijn, dat de socialisten in Rotterdam het wel eens moeilijker hebben gehad. In september 1886 maakte Ferdinand Domela Nieuwenhuis na zijn vrijlating uit de gevangenis - waar hij had vastgezeten wegens belediging van koning Willem III - een toernee door het land. De arbeiders in Den Haag en Amsterdam haalden hun geliefde `verlosser' als een held binnen.
,,Maar'', zo schrijft de SDAP-voorman W.H. Vliegen in Die onze kracht ontwaken deed, ,,in Rotterdam werd dien avond het lokaal Binnenrotte 50, waar de huldiging zou plaats vinden, door een woeste menigte bestormd, alles kort en klein geslagen, de bezoekers mishandeld, zoodat Domela Nieuwenhuis door een achterdeur, met een pet op, in veiligheid moest worden gebracht... Van vele bekende socialisten werden de woningen opgezocht, het huisraad vernield en wie niet op tijd wist weg te komen, mishandeld.''
De Rotterdamse voorman Willem Helsdingen ontkwam bij toeval aan deze `oranjefurie', Een van zijn buren op de trap had namelijk de nationale vlag uitgestoken. De tapijtwever Helsdingen - zoon van een ontslagen politieman, vader van 14 kinderen en uitgerust met `een onverzadigbaren leesdorst' - was de pionier van het socialisme in Rotterdam. Een lezing van Multatuli, aldus Vliegen `wekte zijn revolutionair gevoel'. Hij sloot zich aan bij een van de eerste vakbonden, het liberaal getinte Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond. Omdat de liberale `heeren' te weinig oog hadden voor de onvoorstelbare nood onder de arbeiders, stapte hij over naar de Sociaal-Demokratsche Bond (SDB) van Domela Nieuwenhuis.
Helsdingen kan gelden als het prototype van de nuchtere, op praktische resultaten gerichte sociaaldemocraat. Geen dromer, maar een doener, het soort socialist waarop Rotterdam in latere jaren het patent zou krijgen. Hij was `de eerste der vooraanstaande propagandisten, die weigerde den anarchistische weg op te gaan'. De Rotterdammer was een van de twaalf `apostelen', die in 1894 de stoot gaven tot de oprichting van de SDAP; andere gangmakers waren Vliegen, Pieter Jelles Troelstra (de latere partijleider), de Groninger typograaf Hendrik Spiekman en de Amsterdamse arbeider J.A. Fortuyn .
De moeilijke begintijd voor de Rotterdamse socialisten had alles te maken met de sociale en economische situatie van de stad. In 1850 had de Maasstad nog maar 90.000 inwoners. ,,Een handelsstad weliswaar'', schreven prof. dr. P.J. Bouman en W.H. Bouman in 1952 in hun boek De groei van de grote werkstad, ,,doch naar uiterlijk en levensomstandigheden toch provinciaal.'' Met de voltooiing van de Nieuwe Waterweg (omstreeks 1885) begon echter een onvoorstelbare groei. Deze aanwas werd aangewakkerd door een hevige crisis in de landbouw. Verarmde boeren en werkloze landarbeiders uit Brabant en de Zuidhollandse en Zeeuwse eilanden zochten hun geluk in de nabije grote stad - ,,aangetrokken door den lichtschijn van het groote-stadsleven en met de hoop op goed geldverdienen'', aldus vakbondsman en SDAP-raadslid Hein Mol in Memoires van een havenarbeider. ,,Het was `n soort sprookje, dat men vroeger over Rotterdam vertelde en de groote menschens-kinderen van het platteland luisterden er naar met open mond en ooren.''
Via 200.000 rond 1890 groeide het aantal inwoners naar 500.000 in 1918. De immigranten hadden hun handen vol aan het zoeken naar werk en onderdak. Mol arriveerde als 17-jarige met zijn ouders en zes broers en zusters. Ze woonden met negen mensen bij de haven op een etage van twee kamers met twee alkoven. ,,Het was voor ons allen een ontgoocheling zoo'n huis te moeten betrekken. Aan de straat konden wij geen ramen openzetten vanwege het stof, dat door den wind in dichte wolken werd opgejaagd, terwijl achter, tusschen de broeiende muren, van frissche lucht geen sprake was.''
De nieuwkomers vonden - veelal onregelmatig - werk in de havens, de bouw, de nieuwe scheepswerven en industrieën of als werkman bij de gemeente. Het werk was zwaar en gevaarlijk, de werkdagen lang en de stuwadoorsbazen hadden de reputatie dat ze hun arbeiders bedrogen bij het uitbetalen van de lonen. Het Rotterdamse proletariaat zat niet te wachten op een vage socialistische revolutie, maar had meer behoefte aan concrete verbeteringen: hogere lonen, kortere werktijden, vast werk en goede woningen. Het duurde even voor de socialisten in deze moeilijke omstandigheden voet aan de grond kregen. Zo kreeg de SDAP in 1911 al 12 mensen in de Amsterdamse raad, terwijl zij in Rotterdam nog maar 4 zetels had. Pas in 1917, de laatste verkiezingen in het oude stelsel, bereikte de `Roode Springvloed' de oevers van de Nieuwe Maas.
Rotterdam had in 1901 wel de primeur van het eerste SDAP-raadslid, de eerder genoemde mede-oprichter Hendrik Spiekman. ,,Niet het partijbestuur stelde hem kandidaat, maar de plaatselijke vakbeweging'', vertelt Dick Linders, die zich heeft verdiept in de Rotterdamse SDAP. ,,Dat zegt heel veel. De moderne vakbeweging, zo'n stuk of 30 bij het NVV aangesloten bonden, was de eerste pijler. Ze begonnen in 1900 met 3.000 mensen en hadden in 1940 bij elkaar 40.000 leden. De SDAP zelf had toen 10.000 leden. Dat was het werk van de propagandisten en journalisten, die de mensen stimuleerden om ziekenfondsen, fietsclubs, harmonieën, voetbalverenigingen en wandelclubs op te richten. Als derde pijler kwam de coöperatie Voorwaarts met haar winkels voor brood, melk en kruidenierswaren. De vierde pijler was de eigen pers. In 1920 begon de partij in Rotterdam met het dagblad Voorwaarts, dat in 1940 60.000 abonnees had.''
Rond de Rotterdamse arbeidersbeweging bestaan vele mythes, aldus Linders. ,,De hardnekkigste is misschien wel dat de havenarbeiders ruw en onhandelbaar waren. Ze waren politiek eerder volgzamer dan de industrie-arbeiders in Amsterdam. Ze zagen goed in wat de mogelijkheden waren en waren vaak bereid zich in compromissen te schikken. Niet altijd, want eveneens typerend voor Rotterdam zijn de hevige uitbarstingen van sociale onvrede.''
De Rotterdamse SDAP kreeg leiders, die geheel pasten bij deze mentaliteit. Linders: ,,Pas als je in de vakbond iets presteerde, werd je uitverkoren voor de Coolsingel. Alle `rooie wethouders', zoals Arie Heijkoop en Arie de Zeeuw kwamen uit de vakbeweging. Ze zijn minder bekend dan de Amsterdammers Wibaut en De Miranda, maar ze presteerden misschien wel meer. Ze werkten aan de woningbouw en het vakonderwijs en hielden tegelijk de belangen van de haven in het oog, want daar hing de werkgelegenheid van af. De grote strateeg en organisator was Johan Brautigam, ook al een vakbondsman. Zijn blik reikte verder dan Rotterdam en Nederland. Deze socialisten liepen voor de troep uit, maar keken altijd achterom of de kudde wel volgde. Ze maakten propaganda voor de 8-urige werkdag. Toch, als het moest namen ze genoegen met een vermindering van 12 naar 10 uur zonder het doel van 8 uur te vergeten.''
De voor Rotterdam zo traumatische Tweede Wereldoorlog veranderde in eerste instantie weinig. De SDAP nam enkele kleinere partijen op en sleutelde wat aan de beginselen, maar de nieuwe PvdA aan de Maas bleef een vakbondspartij. Uit deze generatie stamt bijvoorbeeld Henk van de Pols (79), die in 1945 lid werd, vervolgens NVV-bestuurder was in de Rotterdamse haven, in 1967 in de raad kwam, en van 1970 tot 1986 als wethouder fungeerde.
Het waren de jaren van een eerste poldermodel, waarin de gevestigde vakbonden ter wille van de wederopbouw afzagen van het stakingswapen en in goed overleg met werkgevers en regering genoegen namen met kleine stappen voorwaarts. Harmonie heerste er ook in de gemeenteraad, waar onder leiding van vaderlijke regenten als Van Walsum en Thomassen breed gedragen `afspiegelingscolleges' werkten aan de uitbouw van Rotterdam tot Grootste Haven van de Wereld. Helemaal rustig was het overigens niet. In de haven en op de scheepswerven laaide regelmatig de afgezworen klassenstrijd op; met als hoogtepunt de zeelieden- en havenstaking van 1946, waartegen het kabinet-Drees zelfs het leger inzette.
Pas in de jaren 60 begon dit beproefde model te kraken. Het Afrikaanderplein was het epicentrum van een wilde stakingsgolf in de havens en op de scheepswerven, die een radicaal einde maakte aan de geleide loonpolitiek. De welvaart nam toe; de auto, de televisie en de caravan kwamen binnen handbereik van de gewone man. Een gevolg was dat veel mensen zich losmaakten uit de vertrouwde katholieke, christelijke en socialistische verbanden. De zwevende kiezer verscheen op het politieke toneel.
De banden tussen PvdA en NVV werden losser; het NVV zou later met de katholieke KAB samensmelten tot FNV. Het Vrije Volk, ooit met 300.000 lezers de grootste krant van Nederland, raakte in de problemen. In Amsterdam werd de `Rode Burcht' aan het Hekelveld gesloten. Door zich terug te trekken op Rotterdam probeerde het socialistische dagblad te overleven. Op termijn was het een hopeloze strijd. De kinderen van de Vrije Volk-lezers stapten massaal over naar de partijloze concurrentie. Ook de achteruitgang van het PvdA-ledental zette in. Van 13.000 leden in de jaren 50 tot naar schatting 2000 nu.
Dick Pettinga (59), gewestelijk secretaris van 1974 tot 1989, herinnert zich voorspellingen in de jaren 70 dat de PvdA ten dode was opgeschreven. ,,Doorgaan op de oude voet met een links profiel was geen optie door de individualisering en de toenemende welvaart. We konden weinig anders dan ons omvormen tot een moderne sociaal-democratische partij, een bestuurderspartij die met de individualisering meegaat.''
In eerste instantie slaagde de Rotterdamse PvdA in die opzet. Voor het eerst kreeg ze grote groepen katholieke en protestantse kiezers achter zich. Ex-wethouder Van de Pols: ,,Dat kwam vooral door de vele inspanningen voor de stadsvernieuwing. Het bouwen voor de buurt en de bewoners heeft ons in de jaren 70 veel stemmen opgeleverd.''
Vier keer behaalde de PvdA de absolute meerderheid, het laatst in 1986, maar sindsdien brokkelt het Rode Bolwerk af. De werkgelegenheid in de havens en de industrie is verschrompeld, de dienstensector groeide fors door. Van de Pols: ,,Eerst trokken de betere arbeiders naar de tuinsteden voor een woning met een tuintje. Hun kinderen kregen het daarna nog beter en zijn vertrokken naar andere gemeenten. Tegelijk zie je dat deze generatie - helaas - is vervreemd van de arbeidersbeweging.'' Koos Postema is niet de enige Rotterdammer uit een `rood nest', die doorleert, carrière maakt en de stad verlaat. In Soest stemt hij overigens nog steeds PvdA. Na het vertrek van de jongeren, aldus de oud-wethouder, zijn de open plaatsen ingenomen door nieuwkomers uit Marokko en Turkije. ,,De ouderen blijven achter en voelen zich bedreigd. Ze voelen zich vreemdelingen in hun eigen stad. Ik woon in Charlois, ik hoor dagelijks de verhalen bij de bakker en de melkboer over het vrouwtje van 80 die van haar tasje is beroofd. We hebben te weinig gedaan aan de opvoeding en de inburgering van de nieuwkomers. Fout is fout, en dan mag het niet uitmaken of de dader zwart, bruin of wit is. De mensen, die over deze problemen klaagden, zijn te snel als racisten bestempeld.''
Pettinga gelooft niet dat zijn partij uit zelfgenoegzaamheid de ogen heeft gesloten voor deze ontwikkeling. ,,We zijn gewend geraakt aan onze machtspositie. De uitstraling daarvan lijkt op arrogantie.''
Johan Henderson, oud-wethouder in de stad en tegenwoordig voorzitter van de deelgemeente Feyenoord, vindt wel dat zijn partij te weinig heeft geluisterd. ,,Toen we in `94 op onze kop kregen van de kiezer, kwamen er in Amsterdam nieuwe mensen die beter luisterden. Hier kwamen Haagse oudgedienden als Simons en Kombrink. Ook de veranderingen in de structuur van de partij hebben gevolgen gehad. We hebben minder voeling met wat er in de wijken leeft.''
Tot overmaat van ramp volgde de affaire rond de bonnnetjes van Bram Peper. ,,Dat heeft de zaak beslist geen goed gedaan'', weet Van de Pols. ,,In mijn tijd gingen we niet met de credit card naar het buitenland, maar rekenden gewoon af met bonnetjes. En in het binnenland declareerde ik niet, want mijn salaris was hoog genoeg. Dat is kennelijk een verouderde opvatting.''
De vervreemding tussen kiezersvolk en PvdA komt misschien ook, meent Van der Pols, doordat het politieke bedrijf steeds ingewikkelder en technocratischer is geworden. Van de Pols: ,,Ik was de laatste niet academisch gevormde wethouder. Om een uiteenzetting over de plannen voor de haven te kunnen volgen, moet je scholing en inzicht hebben. Misschien heeft onze partij in de zoektocht naar kwaliteit te weinig gelet op mensen, die niet zo geleerd zijn, maar wel voor een stevig geluid in de Kamer of de raad kunnen zorgen.''
Inspiratie putten ze dan wellicht uit het redenaarstalent van wethouder Arie Heijkoop. Over hem schreef de NRC in 1929, lang voor het roemruchte lijsttrekkersdebat van 6 maart 2002: ,,Niet alleen dat Heijkoop het volksklavier wist te bespelen op een wijze, die de massa aan zijn lippen deed hangen, ook in het debat met politieke tegenstanders stond hij als woordkunstenaar en politieke rattenvanger zijn man.''