Wie kan de Anne Frank Stichting nog serieus nemen?
Door Carel Brendel
In 1957 zag de Anne Frank Stichting (AFS) het levenslicht. De stichting ontfermde zich over het Achterhuis, de schuilplaats aan de Prinsengracht waar de familie Frank en andere met deportatie bedreigde Joden zich verborgen hielden voor de Duitse bezettingsmacht. Van 6 juli 1942 tot 4 augustus 1944 wisten zij uit handen van de nazi’s te blijven. Minder dan een jaar voor de Bevrijding werden de acht onderduikers verraden en alsnog opgepakt.
Alleen vader Otto Frank overleefde de vernietigings- en concentratiekampen. Na de oorlog publiceerde hij het dagboek dat zijn dochter Anne in de onderduik had bijgehouden. Het zeer persoonlijke verslag van het tienermeisje is een ontroerend en indringend document, en is daardoor een van de belangrijkste symbolen geworden van de massamoord op zes miljoen Joden.
De Anne Frank Stichting wist het Achterhuis te behouden. In 1960 opende het Anne Frank Huis zijn poorten. Elk jaar trekt de voormalige schuilplaats ongeveer één miljoen bezoekers.
Had de Anne Frank Stichting het hierbij maar gelaten. Maar de beheerders wilden meer; niet alleen de herinnering aan de onderduikperiode en de vernietiging van een jong meisje in ere houden, maar ook een boodschap uitdragen voor deze tijd. Met de opbrengst van het museum financiert de stichting educatieve activiteiten. Daarnaast doet ze onderzoek naar racistische en extremistische uitingen en ontwikkelingen op het gebied van racisme, antisemitisme en extremisme in Nederland.
Hier zit de eerste weeffout. In de jaren ’60 van de vorige eeuw ontstond bij een naoorlogse generatie de gedachte dat de moord op Anne Frank en meer dan 100.000 andere Joodse landgenoten vooral een gevolg was van racisme en antisemitisme. Die levensgevaarlijke verschijnselen zouden door hun ouders en grootouders onvoldoende zijn onderkend. Voortaan moest alles wat ook maar een beetje riekte naar racisme of discriminatie in de kiem worden gesmoord.
Natuurlijk speelden rassenwaan en antisemitisme een belangrijke rol in de door Adolf Hitler ontwikkelde ideologie van het nationaal-socialisme. Daarnaast is het onweerlegbaar dat er in het vooroorlogse Nederland mensen waren die zich negatief over Joden uitlieten, wel eens op hen scholden of meenden dat ‘ze’ alle touwtjes in handen hadden en daarom de schuld van de economische crisis waren. Het is echter te simpel om beide zaken één op één aan elkaar te verbinden.
Eén factor werd door de opkomende antifascismebeweging vaak over het hoofd gezien: het totalitaire karakter van het nazi-regime, dat vanaf 1933 in Duitsland en sinds 1940 ook in Nederland aan de macht was. De isolatie en later deportatie van de Joodse bevolking was alleen mogelijk door de ijzeren greep waarin de Duitsers ons land hielden. Bij een aantal fanatieke jodenjagers zal antisemitisme een drijvende kracht zijn geweest. Maar de meeste medeplichtigen en omstanders - ambtenaren, politiemensen, spoorwegpersoneel, buurtbewoners - handelden (of ondernamen niets) als gevolg van angst, geweld, terreur en intimidatie.
Waarom hamerden de antifascisten vooral op het racisme, en minder op het totalitaire karakter van de nazi’s? In dat geval had deze beweging aan zelfonderzoek moeten doen - en misschien ook moeten kijken naar de totalitaire ontsporingen in de Sovjet-Unie. Ook in dat land waren bevolkingsgroepen opgeruimd op grond van een totalitaire mensenverachtende ideologie. Tientallen miljoenen kwamen om door Stalins jacht op de burgerij en de boerenstand. Daarna zuiverde de partijleider de eigen partijrangen van echte of vermeende opposanten. Hele volkeren werden vervolgd en verplaatst, omdat Stalin hen als een gevaar zag: Polen, Koreanen, Tsjetsjenen, Krim-Tataren en Wolga-Duitsers. Enkele jaren na Auschwitz begon Stalin aan zijn eigen jodenvervolging. De dood van de tiran in 1953 voorkwam erger. Zijn opvolgers maakten daarna een einde aan de ergste excessen.
Door zich te focussen op racisme en antisemitisme slaagden de antifascisten erin om het communisme buiten het debat te houden. De CPN sloeg zichzelf op de borst voor de antifascistische strijd, die haar leden tijdens de bezetting hadden gevoerd. In dat verzet hebben de communisten inderdaad een belangrijke rol gespeeld. Er is geen reden om daar geringschattend over te doen.
De naoorlogse verzetsstrijders, die de strijd tegen het nieuwe fascisme wilden voeren, kwamen grotendeels uit de linkse en extreemlinkse hoek. Het was een schimmengevecht, want maar een handjevol oud-NSB’ers en neonazi’s durfde zich na 1945 nog te roeren. In de ogen van de antifascisten echter zat het kwaad ook bij gewone rechtse conservatieve of populistische partijen. De Leidse onderzoeker Jaap van Donselaar zette het zoeklicht op hun partijprogramma’s. Hij liep ze na op voor extreemrechts ‘kenmerkende’ punten.
Nationalisme en bestrijding van criminaliteit zijn volgens hem typerend voor extreemrechts. Dat zou betekenen dat volgens de maatstaven van Van Donselaar ook de PvdA en de SP tegenwoordig in de zeer foute hoek zitten. Maar zo ver gaat Van Donselaar natuurlijk niet. Hij gebruikte en gebruikt zijn pseudo-wetenschappelijke methodes alleen om ongewenste rechtse of zeer rechtse groeperingen als de Boerenpartij, de Centrumpartij, de LPF en sinds kort de PVV in de fascistische verdachtenbank te zetten.
De Anne Frank Stichting heeft deze weeffouten niet uitgevonden, maar ze is er wel volop in meegegaan. Van Donselaar en zijn Monitor Racisme & Extremisme zijn sinds 2001 vastgeklonken aan de AFS. Dit onderzoeksproject werd halverwege de jaren negentig ontwikkeld door de Universiteit Leiden (Van Donselaar) in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Veelzeggend is dat het oorspronkelijk ging om de Monitor Racisme & Rechtsextremisme. Pas sinds 2005 heeft de monitor haar huidige naam. In de praktijk is er weinig veranderd. Nog altijd ligt de focus op rechts; natuurlijk op de extremistische en eventueel gewelddadige splintergroepen, maar ook op de partijen die het brede ongenoegen over de multiculturele samenleving verwoorden.
Van Donselaar en AFS-jurist Peter Rodrigues worden bij hun politieke onderzoek in opdracht van de overheid gevoed door een waaier van instellingen, die hetzelfde antifascistische gedachtegoed aanhangen. De monitor over 2008 baseert zich voor een belangrijk deel uit politiegegevens, maar daarnaast leveren de antiracismebureaus georganiseerd in Art. 1 en de links-activistische onderzoeksgroep KAFKA veel materiaal. Op pagina 14 staat een hele opsomming van meldpunten en antidiscriminatiebureaus. Vaste leverancier is ook de Commissie Gelijke Behandeling (CGB).
Soms krijg je de indruk dat steeds dezelfde alarmerende data over extreemrechts in rapporten worden rondgepompt. Zo baseerde de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie haar rapport over de toenemende islamofobie en het gevaarlijke optreden van de PVV eveneens op gegevens van Art. 1 en de CGB. Met deze rapporten in de hand eisen René Danen en zijn extreemlinkse stichting Nederland Bekent Kleur op hun beurt weer verdere vervolging van Wilders en zijn partijgenoten. Zo wordt de Anne Frank Stichting een gewillig werktuig voor de linkse politiek.
Er zit nog een derde weeffout in het antifascistische werk van de AFS. De onderzoekers gebruiken een bijzonder brede werkdefinitie van het racisme. Zo wordt ook het zeer omstreden begrip ‘islamofobie’ als racisme beschouwd. Dit kan tot onthutsende conclusies leiden. René Marres citeert in zijn boek Vermoord en verbannen AFS-directeur Hans Westra. Deze wijst op ‘het belang van het recht van moslims op bescherming tegen aanvallen op de islam’. Een reactionair idee, aldus Marres, waardoor godsdienstkritiek onmogelijk wordt en we teruggaan naar de duistere Middeleeuwen. Helaas heeft het Amsterdamse gerechtshof de opvatting van Westra wel overgenomen in zijn arrest over Wilders.
Met zulke opvattingen over ‘islamofobie’ levert de AFS opnieuw brandstof voor het bondgenootschap van moslimfundamentalisten en linkse activisten, dat geen enkele kritiek op de islam duldt. Het verbaast dan ook niet dat Rodrigues zich heeft geschaard in het kamp van mr. Gerard Spong, Els Lucas, sjeik Fawaz Jneid en René Danen.
‘Vervolging moet, ook al wordt hij martelaar’, schreef Rodrigues donderdag (5 februari) in De Volkskrant. Eén argument wil ik u niet onthouden, omdat het een regelrechte aanval is op de vrijheid van godsdienst en de vrijheid om deze godsdienst de rug toe te keren. “Moslim wordt je door geboorte”, meent Rodrigues, “en dat betekent nog niet dat er een actieve godsdienstbeleving is. Net als bij het jodendom is sprake van een dubbele dimensie religie en afkomst. In de achtste Monitor Racisme & Extremisme is er voor gepleit beide gronden in de beoordeling (van aangiften wegens discriminatie, CB) op te nemen.”
De jurist van de Anne Frank Stichting pleit hiermee voor inperking van de vrijheid van meningsuiting met argumenten uit de koker van de moslimfundamentalisten. Die stellen immers dat je moslim door geboorte bent, dat je altijd moslim blijft en dat kritiek op de islam verboden is.
Zo doet zich het treurige feit voor dat de zaakwaarnemers van Anne Frank in haar naam buigen voor religieus-reactionaire krachten. Alle reden dus om de Anne Frank Stichting niet meer serieus te nemen.
Carel Brendel is auteur van Het verraad van links (Uitg. Aspekt)
Geplaatst op 7 februari 2009
Homepage: www.hetverraadvanlinks.nl